Astronomie in Nederland

Super-astronomie uit het laagland

Astronomie in Nederland (uit NRC) druk voor PDF

De Nederlandse sterrenkunde staat op een zeer hoog niveau. Hoe dat zo is gekomen, beschrijft de Utrechtse wetenschapshistoricus David Baneke in een voortreffelijke overzichtsstudie.
Door Dirk van Delft

Op het gebied van astronomie is Nederland een grootmacht. Op het eerste gezicht is dat vreemd. Ons natte laagland is ongeschikt voor waarnemingen aan de hemel. Daarvoor kun je beter in Noord-Chili zijn, op 5.000 meter hoogte in de droge Atacama-woestijn. Op die extreme plek staat de ALMA-telescoop, ’s werelds grootste instrument voor het meten van millimetergolven. Een groep van vijftig schotelantennes van twaalf meter in diameter zoekt er diep in de kosmos naar de eerste sterren, of is getuige van de geboorte van planetenstelsels. Astronomie ten top, geleverd door de ESO, de Europese Zuidelijke Sterrenwacht.

En daarmee zijn we terug bij Nederland. Op 3 maart werd in het Leidse Academiegebouw een plaquette onthuld die herinnert aan de ESO-oprichtingsvergadering in de jaren vijftig. Het initiatief tot die bijeenkomst kwam van de grote Nederlandse sterrenkundige Jan Oort. Daar bleef het niet bij. Inmiddels is Tim de Zeeuw de vierde ESO-directeur-generaal met de Nederlandse nationaliteit. De eerste wetenschappelijk directeur van ALMA was Thijs de Grauw. Moderne sterrenkunde is internationale big science en de Nederlandse astronomie speelt mee op wereldniveau.

Vijftig astronomen

Hoe is dat zo gekomen? Die vraag staat centraal in David Banekes voortreffelijke overzichtsstudie De ontdekkers van de hemel. Wetenschapshistoricus Baneke, verbonden aan de Universiteit Utrecht, gaat niet over één nacht ijs. Vijf jaar lang werkte hij zich door de literatuur, raadpleegde relevante archieven en nam interviews af met vijftig astronomen en bestuurders. Het resultaat is een doorwrocht én zeer leesbaar boek dat aan alle belangrijke ontwikkelingen uit een eeuw vaderlandse astronomie recht doet. De nadruk ligt daarbij op personen en hun instrumenten, op de ontdekkers. De overweldigende volledigheid van De ontdekkers van de hemel is behalve de kracht ook de zwakte van het boek. Driehonderd bladzijden tekst zijn eigenlijk te weinig voor de massa feiten en relazen die Baneke over de lezer uitstort.

De moderne Nederlandse sterrenkunde begint bij Frederik Kaiser – zelf vond hij zich de eerste echte astronoom sinds Christiaan Huygens. In 1835 maakt hij furore door vanuit zijn zolderkamer de komeet van Halley te observeren. Kaisers liefde lag bij methodische nauwkeurigheidswaarnemingen, in het gevecht om de volgende decimaal. In 1860 opende hij in de Hortus een nieuwe sterrenwacht, waarbij het geld ten dele werd opgebracht door corpsstudenten – crowdfunding avant la lettre. Hart van het nieuwe instituut was de op het zuiden gerichte meridiaankijker, in combinatie met een nauwkeurige klok. Grote ontdekkingen heeft Kaiser niet gedaan en veel tijd ging verloren aan controles van klokken, kaarten en kompassen van de marine. Wel maakte hij van sterrenkunde een modelwetenschap. Die aanpak inspireerde de latere Nobelprijswinnaars Hendrik Lorentz en Heike Kamerlingh Onnes.

Na Kaiser zakte de Leidse sterrenkunde weg. Hendrik van de Sande Bakhuyzen vond vernieuwingen als spectrografie (het meten van lichtspectra van sterren) maar modieus en bleef braaf zo nauwkeurig mogelijk hemelposities bepalen. Anton Pannekoek, die in 1918 een benoeming in Leiden geblokkeerd zag vanwege communistische sympathieën was niet mals in zijn kritiek op Leiden: een ‘katakombenlucht van doodse verstarring en verveling’. Het zwaartepunt van de Nederlandse sterrenkunde verschoof naar Groningen, naar Jacobus Kapteyn. Dat Groningen geen sterrenwacht had, gaf niet. Kapteyn ging een samenwerking aan met Kaapstad. Jaar in jaar uit arriveerden in Groningen kistjes glasplaten met hemelopnames uit Zuid-Afrika die in het laboratorium van Kapteyn werden doorgemeten.

Het waren Kapteyn en zijn leerlingen Willem de Sitter en Jan Oort die de Nederlandse sterrenkunde een impuls gaven. Kapteyn knoopte contacten aan in Amerika, kreeg een gastaanstelling op Caltech in Pasadena, en kampeerde samen met zijn vrouw op Mount Wilson, waar de grootste spiegeltelescoop ter wereld stond. Dankzij hem stond de Nederlandse astronomie er in Amerika goed op. Veel in ons land opgeleide sterrenkundigen vonden emplooi op Amerikaanse instituten. De Sitter en vooral Oort bliezen de Leidse Sterrewacht nieuw leven in. Na de Tweede Wereldoorlog zette Oort in op radioastronomie. Waarnemingen in dat deel van het elektromagnetisch spectrum ondervinden geen hinder van wolken. In 1950 werd een Duitse radarantenne, onderdeel van de Atlantikwall, uit de duinen naar Kootwijk overgebracht en omgebouwd tot radiotelescoop.

Zes jaar later opende koningin Juliana ‘Dwingeloo’, met zijn ‘kippengaas’-schotel van 25 meter toen de grootste ter wereld. In 1970 werd hij overtroffen door de twaalf schotels van Westerbork – lange tijd visitekaartje van de Nederlandse sterrenkunde. Het was Jan Oort die bij het rijk de financiering voor elkaar kreeg.

In Banekes verhaal over de 20ste-eeuwse Nederlandse astronomie is ook aandacht voor politieke, economische en culturele factoren. Toen de Amerikanen in de jaren zestig aanboden een Nederlandse satelliet te willen lanceren, grepen Fokker en Philips hun kans om op ruimtevaartgebied ervaring op te doen. In 1974 werd de Astronomische Nederlandse Satelliet (ANS) door de NASA gelanceerd. Hij functioneerde prima en deed waardevolle waarnemingen. Toch weigerde staatssecretaris Klein van wetenschapsbeleid na een jaar verlenging van de missie. Een schandaal was geboren, waarna ANS alsnog korte tijd mocht doormeten. Het succes smaakte naar meer, in 1983 gerealiseerd met de infraroodsatelliet IRAS.

Geen redden aan

Hoe staat het er nu voor? Baneke heeft het over de ‘gouden jaren vanaf 1990’ en daar is veel voor te zeggen. Afgezien van het opheffen in 2011 van de astronomie in Utrecht. Die klap kwam hard aan, maar het tekent de Nederlandse astronomische gemeenschap dat na twee dagen geconstateerd werd dat er geen redden aan was en dat amok maken geen zin had. Waarna achter de schermen maatregelen werden getroffen om de schade te beperken.

Wat is het geheim van de Nederlandse astronomie? Baneke noemt diverse factoren: de invloed van Kapteyn, de goede banden met Amerika, het zelfversterkende effect van succes, sterrenkunde als visitekaartje waarmee je als klein land internationaal kon scoren, kleinschaligheid, een goede nationale organisatie, een sterk ontwikkeld groepsgevoel, sterke aanwezigheid in de media en een zekere dosis lef. Conflicten blijven binnenskamers. In aanvulling op deze succesfactoren noem ik de in Nederland aanwezige technische expertise, onontbeerlijk voor het ontwerpen en bouwen van de gecompliceerde instrumenten.

Het jongste Nederlandse succesverhaal is LOFAR, een netwerk van duizenden kleine antennes, via glasvezels met elkaar en met een Groningse supercomputer verbonden. In het landschap vallen ze nauwelijks op, verspreid als ze liggen over een gebied van honderden kilometers, met als hart Oost-Drenthe. Een ICT-telescoop, in uiterlijk totaal afwijkend en een krachtig nieuw venster op het heelal. Ongetwijfeld gaat LOFAR mooie ontdekkingen opleveren. Want Baneke mag zich concentreren op de ontdekkers van de hemel, het zijn de ontdekkingen die het doen.

David Baneke: De ontdekkers van de hemel. De Nederlandse sterrenkunde in de twintigste eeuw. Prometheus / Bert Bakker, 384 blz. geïll. € 24,95

4

Een mengeling van literatuurstudie, archiefonderzoek en interviews heeft een fraai overzichtswerk opgeleverd.

________________________________
Dit artikel is verschenen in het NRC Handelsblad van vrijdag 8 mei op pagina 11

Jupiter’s storm krimpt steeds sneller

BALTIMORE –  Midden op de planeet Jupiter zit al eeuwenlang een gigantische rode vlek, een enorme storm, en die vlek wordt steeds kleiner. De doorsnee is nu nog maar 16.500 kilometer, kleiner dan ooit eerder gemeten. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA, dat de ruimtetelescoop Hubble naar Jupiter heeft laten kijken. De oorzaak van de krimp is niet bekend.

De Grote Rode Vlek is een storm, die vanaf de aarde te zien is met telescopen. De wind haalt er snelheden tot 680 kilometer per uur. Het is niet bekend hoe lang de storm al raast. In de 17e eeuw zagen astronomen de vlek mogelijk al. Een paar jaar geleden slokte de storm een kleinere storm op.

Eind 19e eeuw was de vlek nog ongeveer 41.000 kilometer in doorsnee. Dat betekent dat de aarde er drie keer in zou passen. Rond 1980 was de doorsnee nog maar 23.335 kilometer. De storm bleek in 2009 verder gekrompen, tot bijna 18.000 kilometer, en is nu dus 16.500 kilometer.

Tussen 1996 en 2006 werd de vlek dagelijks een kilometer kleiner. Nu is dat al drie keer zo veel. Als dat continu door zou gaan, is het kenmerk van Jupiter over enkele decennia weg. Wetenschappers durven echter niet te zeggen of het echt zo ver kan komen.

Bron: http://www.telegraaf.nl